Aansprakelijkheid voor onjuiste inlichtingen en de grenzen van het vertrouwensbeginsel
ECLI:NL:GHDHA:2026:2882
Dit arrest van het hof Den Haag draait in de kern om de vraag of het Hoogheemraadschap van Delfland aansprakelijk is omdat het voorafgaand aan de aankoop van een verzakte kade onjuiste of onvolledige informatie zou hebben verstrekt, dan wel de indruk zou hebben gewekt dat het de herstelkosten voor zijn rekening zou nemen. Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
De eigenaar van de kade had vóór de aankoop via zijn makelaar contact opgenomen met het Hoogheemraadschap. Daarbij werd gevraagd naar de verdeling van het gewone en buitengewone onderhoud van de waterkering. In de correspondentie antwoordde het Hoogheemraadschap dat het verantwoordelijk was voor het buitengewone onderhoud van de waterkering, terwijl de eigenaar verantwoordelijk bleef voor het gewone onderhoud. De koper leidde daaruit af dat het Hoogheemraadschap ook zou instaan voor het herstel van de verzakte kademuur en de daarmee samenhangende kosten. Nadat bleek dat de gemeente deze kosten juist op de eigenaar wilde verhalen, stelde hij het Hoogheemraadschap aansprakelijk.
Het hof toetst eerst of sprake is van onrechtmatige verstrekking van onjuiste of onvolledige inlichtingen. Daarbij past het de maatstaf toe uit het arrest 's‑Hertogenbosch/Van Zoggel. Volgens die maatstaf is beslissend welke vraag daadwerkelijk is gesteld, hoe het bestuursorgaan die vraag redelijkerwijs mocht begrijpen en welke betekenis de ontvanger aan het antwoord mocht toekennen. Het hof oordeelt dat de vragen van de makelaar onvoldoende scherp waren geformuleerd. Zij waren gericht op het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud van de waterkering, niet op de wezenlijke vraag wie de kosten moest dragen van het herstel van de verzakte kademuur en het wegdek. Het Hoogheemraadschap hoefde daarom niet uit eigen beweging een onderscheid te maken tussen het onder de weg gelegen leggerprofiel van de waterkering enerzijds en de kademuur en het wegdek anderzijds.
Van belang is dat de kademuur juridisch niet tot de waterkering behoort. Het Hoogheemraadschap is slechts verantwoordelijk voor het buitengewone onderhoud van de regionale waterkering voor zover dat betrekking heeft op het leggerprofiel. Uit eerdere correspondentie met de gemeente bleek bovendien expliciet dat de kademuur geen onderdeel van de waterkering vormde en dat het beheer en onderhoud daarvan voor rekening van de perceeleigenaar kwamen. Tegen die achtergrond mocht de koper volgens het hof niet begrijpen dat de mededelingen van het Hoogheemraadschap inhielden dat het ook de kosten van herstel van de kademuur zou dragen.
Verder acht het hof zwaarwegend dat de koper niet volledig transparant is geweest. Hij wist van de op het perceel rustende last onder bestuursdwang, waarbij de gemeente al had aangekondigd de herstelkosten op de eigenaar of diens rechtsopvolger te verhalen. Die cruciale informatie is niet gedeeld met de betrokken medewerker van het Hoogheemraadschap. Daardoor kon volgens het hof geen sprake zijn van een situatie waarin het Hoogheemraadschap op basis van volledige feiten juiste en volledige informatie kon geven.
Vervolgens beoordeelt het hof het beroep op een toezegging. Daarbij sluit het aan bij de bestuursrechtelijke vertrouwensleer uit de zogenoemde Amsterdamse dakopbouw-uitspraak. Reeds bij de eerste stap strandt het beroep van de koper. Hoewel de e-mails enigszins konden suggereren dat het Hoogheemraadschap werkzaamheden aan de waterkering zou verrichten, kon de koper daaruit niet redelijkerwijs afleiden dat het Hoogheemraadschap ook de concrete herstelkosten van de verzakte kademuur en het wegdek zou betalen. Doorslaggevend is opnieuw dat de koper niet duidelijk heeft gevraagd of het Hoogheemraadschap de herstelkosten die de gemeente op de eigenaar wilde verhalen voor zijn rekening zou nemen, terwijl hij bovendien heeft nagelaten alle relevante feiten te melden. Van gerechtvaardigd vertrouwen is daarom geen sprake.
De juridische kern van het arrest is daarmee dat aansprakelijkheid wegens onjuiste overheidsinformatie of een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen alleen mogelijk is wanneer de vraagsteller zijn vraag voldoende duidelijk formuleert én het bestuursorgaan volledig informeert over de relevante feiten. Wie een onduidelijke vraag stelt over een beperkte juridische kwestie, maar daaruit vervolgens vergaande conclusies trekt over een andere kwestie, kan zich niet met succes beroepen op onjuiste informatie of een bindende toezegging. In deze zaak bleef de herstelplicht voor de kademuur daarom bij de eigenaar en handelde het Hoogheemraadschap niet onrechtmatig.
BDS Advocatuur, gericht op de inhoud, zonder opsmuk!


